Door:

Theo Temmink

Theo Temmink

Constant Vecht: een rebel die tóch kunsthandelaar werd

(geen foto's bij artikel)

Foto: Bob Bronshoff
Constant Vecht achter zijn bureau bij De Groene, jaren negentig.

Ons mede-Kringlid Constant Vecht (1947 – 2020) is dinsdag 11 november overleden aan de gevolgen van acuut hartfalen. Hij is 72 jaar geworden. Constant was gescheiden en had twee zoons.

Je zag Constant Vechtgeregeld in De Kring: een aimabele man, scherpe ogen, milde blik. Hij vertoonde zich graag op de dansvloer op vrijdagavond, en deed dat met zichtbaar plezier. Hij was niet groot van stuk, maar hij straalde rust en gezag uit en bleef daardoor niet onopgemerkt. Hier liep/stond/danste een man van de wereld.

De familie Vecht is altijd nauw verbonden geweest met De Kring, zoals Annemieke Hendriks beschrijft in haar boek In intieme kring uit 2007,een kroniek van de roemruchte geschiedenis van onze sociëteit. Constants grootvader Aäron(die Jack werd genoemd, de naam die ook Constants vader officieel zou krijgen)frequenteerde al de voorloper van De Kring: artiestensociëteit Het Honk in de Reguliersdwarsstraat, een keldertje dat volgens een tijdgenoot nog het meest leek op ‘een verwaarloosd arrestantenlokaal’.

In september 1922 richtten enkele prominente Honkers de nieuwe sociëteit De Kring op. Aäron Vecht behoorde tot de leden van het eerste uur. Hij woonde met zijn gezin in wat Annemieke Hendriks ‘een oud, dramatisch verzakkend landhuis’ noemt aan de Amsteldijk, ongeveer waar nu de Utrechtsebrug ligt. In de jaren 30 werd dit ‘een dependance van De Kring’, zoals Hendriks het noemt. Het was er een komen en gaan van Kringleden, die er aten, musiceerden, debatteerden en onderdak vonden – in ‘een huis vol cultuur’.

Aäron Vecht was oprichter en naamgever van de zaak die Constant tot zijn dood runde: ‘Kunstzalen A. Vecht’ in de Nieuwe Spiegelstraat in Amsterdam. De Vechts vormen een interessante familie, die al meer dan een eeuw een vooraanstaande rol speelt in de Amsterdamse kunstwereld. Het begon met Mozes Vecht, Constants overgrootvader. Mozes was veehandelaar in Elburg, verhuisde met zijn gezin in 1902 naar Amsterdam en opende hier een antiekwinkel. Mozes’ zoon Aäron begon in de jaren 10 voor zichzelf en specialiseerde zich onder meer in Aziatische kunst. Hij werd een succesvol handelaar, verzamelaar en antiquair. Na zijn dood, in 1965, nam zoon Jack de zaak over. Na diens overlijden, in 1995, kwam Constant in de zaak. Hij was toen 47.

Aan dit bestaan als kunst-en antiekhandelaar is een buitengewoon enerverend leven voorafgegaan: van Vossius-gymnasiast en ‘joods rijkeluiszoontje’, waarvoor hij als kind was uitgescholden, tot activistische studentenleider (ASVA-voorzitter), en van hoofdredacteur van de communistische krant De Waarheid tot directeur van het liberaal-linkse weekblad De Groene Amsterdammer.

Fascinerend zijn de worstelingen die Constant Vecht heeft doorgemaakt. Hij is 13 jaar lid van de CPN geweest, maar ondanks zijn prominente positie als hoofdredacteur van De Waarheid lijkt hij nooit een overtuigd communist te zijn geweest. In interviews en in zijn boek Huis aan de Amstel uit 1993 maakt hij duidelijk dat zijn keuze voor het activisme en het communisme vooral een reactie was op het generatieconflict met zijn vader Jack. In 1997, in een even hilarisch als liefdevol artikel over Constant Vecht in De Groene, kwalificeerde Martin van Amerongen Constants keuze voor het communisme als een regelrechte ‘vadermoord’.

Jack omarmde het kapitalisme en was naar verluidt ‘nog rechtser dan de VVD’. Hij begreep niets van de linkse voorkeuren van zijn zoon. In een interview met het Nieuw Israëlietisch Weekblad in 1993 verklaarde Constant het onbegrip van zijn vader als volgt: “Mijn vader dacht: mijn zoon gaat achter Stalin aanlopen, die net zo erg is als Hitler. Dat was het misverstand tussen ons.” Hij zei zijn keuze voor de CPN zelf achteraf te zien als rebellie, als een provocatie van ‘een jong idealistisch persoontje tegenover een rechts-autoritaire vader’. En hij zag de CPN niet als de partij van Stalin, maar als de partij van de Februaristaking in 1941.    

Martin van Amerongen memoreerde dat vader Jackzijn zoon eens vertwijfeld had toegesproken met: “Je kunt zo bij me in de zaak komen en een prachtleven leiden. Maar nee, meneer moet zo nodig de wereld verbeteren.” En zo kon het gebeuren dat in de jaren zestig Constant aan het hoofd van een studentendemonstratie, zwaaiend met de rode vlag, de Kunstzalen A.Vecht passeerde, die toen nog aan het Rokin was gevestigd. Jack zag de stoet vanuit de deuropening van zijn winkel voorbij komen en tikte, zijn zoon aankijkend, tegen zijn voorhoofd. Veel later erkende Constant dat zijn vader misschien wel gelijk had met zijn afwijzing van het communisme. “Maar zoiets moet je eerst zelf ervaren.”  

Achter dit generatieconflict gaat nog een tweede worsteling schuil: Constants omgang met zijn Joodse familiegeschiedenis. Althans van vaders kant; zijn moeder, die Constance heette, was niet-Joods. Jack was ondergedoken in de Tweede Wereldoorlog, zijn zus (‘tante Didi’) en haar 6-jarig zoontje zijn in een concentratiekamp vermoord. Jack had naar eigen zeggen niet veel op met het jodendom. “Als mensen mij tot jood willen bestempelen, alla, als ik daar maar geen last van heb.” Constant zelf benadrukte dat hij niet-religieus was, maar dat hij door het jodendom wel ‘een tik van de molen’ had meegekregen. “Er zijn toch onmiskenbaar bepaalde Joodse culturele elementen en een stuk tragische Joodse geschiedenis aan mij doorgegeven”, stelde hij vast in het NIW-interview. Hij zei ambivalent te zijn als het om zijn Joodse achtergrond ging. En met zijn vader kon hij daar nooit over praten, omdat Jack zijn Joods-zijn had afgezworen.

Constant was bij zijn eerste bezoek aan Israël ”al ontroerd toen ik voet op Israëlische bodem zette. Ik voelde mij er enorm thuis.” Maar tegelijk wilde hij ‘reserves’ houden tegenover Israël. In de laatste jaren was hij in Amsterdam zeer actief als bestuurslid van het vriendschapsinitiatief Salaam-Shalom, opgericht door joden en moslims. Elk jaar nodigde hij leden van Salaam-Shalom uit voor een rondleiding over de PAN, de kunst- en antiekbeurs. Vader Jack was in1987 trouwens medeoprichter van de PAN en was er commissaris.

Daarmee was dit cirkeltje in Constants leven rond. De laatste 25 jaar zette hij de kunsthandel van zijn(over/groot)vader voort. Je kon hem keurig in het pak aantreffen op onder meerde PAN en de TEFAF in Maastricht. Hij maakte daar optimaal gebruik van het zakelijk instinct dat hij van de generaties voor hem had geërfd. Als student en journalist was hij stevig anti-establishment, als eigenaar van een kunsthande bleek hij uitstekend in staat de switch te maken naar de wereld van het grote geld. Net als zijn winkel bestierde hij zijn beursstands met veel charme en kennis van zaken. Zo had hij eerder ook De Groene geleid als directeur: van jaar-in-jaar-uit verlies leidend naar een positief resultaat in een mum van tijd.

Wat zou vader Jacks oordeel zijn geweest als hij Constant jaren later als succesvol kunsthandelaar had kunnen zien? Zijn zoon had de dynastie keurig intact gehouden. En gelukkig, hij was ‘een nette man’ geworden (dixit Van Amerongen). Dus tóch!

Ontdek het Restaurant
Feestje? Huur een zaal