Door:

Annemarie Oster

Annemarie Oster

‘Maar ik ben niet zo hebberig’

De Muur
(geen foto's bij artikel)

Alweer de tweede aflevering van de rubriek ‘De Muur’. Over kunst. Kunst hangt nu eenmaal vaak aan de muur, soms ligt ze of staat ze. Annemarie Oster voert een tweegesprek met Kringleden over hun kunstverzameling. Hans Brinkman maakt de foto’s. Op bezoek bij Deborah (& Remco) Campert.

Deborah en Remco Campert. Foto: Hans Brinkman

Alleen de lift naar het appartement van de familie Campert, Deborah en Remco, is al een kunstwerk. Ach, het hele trappenhuis: jaren dertig. Volgens Hans Brinkman, ad hoc fotograaf, ‘Amsterdamse school’. Toch waan ik me in Parijs.
Ook het appartement zelf ademt een Franse sfeer: weids, deftig en toch artistiek. Ieder moment kan Marcel Proust, als hij even niet inbed ligt, binnenstappen. Geheel in de stijl krijgen we bij ons kopje thee een madeleine geserveerd.
Wij kijken rond, komen zintuigen te kort. Want bij ieder object hoort een verhaal; wij worden vergast op een schat aan anekdotes. Voornamelijk, wat zeg ik, uitsluitend door de vrouw des huizes, want de beroemde dichter/schrijver/schilder - over deze laatste hoedanigheid straks meer - doet er doorgaans het zwijgen toe. Hij speelt of hij is verdiept in de krant, maar oude potjes hebben ook oren. Op humor toegespitste oren. Precies op het juiste moment lacht hij met ons mee.

Ik richt me maar meteen tot de gastvrouw:
Er hangt een prent van Remco op De Kring die hij in Parijs heeft geschilderd op gek genoeg de Zutphense Courant uit 1950.

Deborah: “Ja, dat is een kopie. Het origineel hangt hierbij mijn bed. Jaren geleden was ik - geen idee hoe ik daar kwam - bij Rudy Kousbroek (schrijver/essayist en goede vriend). In een hangmap hing dat kunstwerk, dubbelgevouwen, en ik vond het ontzettend mooi: ‘Rudy, mag ik dat hebben?’ (Op koele Kousbroektoon:) ‘Nee… Je mag het lenen.’ Dus heb ik het mooi duur laten inlijsten en na een paar jaar vond Remco dat het mij toekwam en heeft hij er een opdracht voor mij ingeschreven. Dus we hebben het al jaren. Het is een van mijn lievelingswerken.”(De charmante spreekster heeft - en dat hoor je alleen bij de r - een licht Amerikaans accent dat ik helaas niet fonetisch kan weergeven; verder is haar Nederlands impeccabel)
“En Hans (ze knikt hem beminnelijk toe en vice versa) heeft er ongeveer vijf jaar geleden heel goed gedrukte kopieën in een oplage van twintig van laten maken.”
Hans, die eigenlijk niet mag praten, maar moet fotograferen: “Meteen uitverkocht.” 

(Sorry voor de triviale vraag:) Voor hoeveel?
“200 euro.”

Keurig. Hangt er nog meer werk van Remco in huis?
“Ja, een serie tekeningen. O, dat is een leuk verhaal. Toen ze bij de Bezige Bij hun nieuwe gebouw gingen openen, bedacht ik - omdat ik merkte dat er bij de Bezige Bij veel schrijvers zaten die ook beeldende kunst maakten - om daar een tentoonstelling van te maken. En opeens kwam Frans Weisz (filmregisseur) tevoorschijn, hij had gehoord dat ik daarmee bezig was. Hij had zeven tekeningen van Remco, allemaal geplakt op zwart, goedkoop papier. Na afloop vroeg Frans of ik ze wilde hebben. Dolgraag! Dus ik heb ze laten restaureren. Dat papier is schoongemaakt, ze zijn mooi ingelijst. Die tekeningen zijn, qua geld, de meest waardevolle kunstwerken die ik nog heb.”

Heb je veel weggedaan?
“In de loop der jaren ontzettend veel.”

Verkocht?
“Ja, maar ik wil benadrukken dat ik nooit een kunstwerk heb gekocht met het idee om het later te verkopen. Dat is geen goede mentaliteit. Dat kan Hans beamen.”
Hans, ooit galeriehouder, beaamt het volmondig (met madeleine).
“Dat is liefdeloos. Je kunt van tevoren niet zeggen of iets heel veel waard gaat zijn. Als ik iets verkocht, had ik gewoon geld nodig.” 

Zijn er objecten die je hebt weggedaan waar je spijt van hebt?
“Ja, van Daan van Golden. Dat was mijn allerliefste kunstenaar. Hij was heel bekend, nu dood. Ik had een klein werk van hem en ik zwoer altijd dat het het allerlaatste schilderij was dat ik ooit weg zou doen, maar een paar jaar geleden hadden de kinderen weer geld nodig en heb ik het goed verkocht op de veiling. Maar ik ben niet zo hebberig. Als iets weg is, ben ik niet heel erg treurig.”

Deborah bij het huwelijkscadeau dat Hugo Claus de Camperts gaf. Foto: Hans Brinkman

Je zei net dat veel schrijvers, zoals Remco, multitalenten zijn. Van wie hangt er hier iets?
“Van Hugo Claus. Twee op elkaar liggende naakten.”
We lopen naar Remco Camperts kamer, waar de Claus hangt, en tot mijn vreugde zie ik, onbegaafd picturaal wat betreft abstracte kunst als ik ben, dat het inderdaad twee op elkaar liggende blote mensen zijn. “Dat heeft hij ons voor ons huwelijk gegeven. Een andere heb ik zelf gekocht. Daar hangt een zelfportret (dat sprekend op Claus lijkt) naast een foto van Remco’s vader. En boven Remco’s bed hangt De man die naar woorden zoekt van Mariët Linders.” Een intrigerend, literair schilderij.
Ze wijst op een hoek: “Dit is een soort antwoord op het schilderij van Courbet, van een kunstenaar die ook veel op De Kring kwam: Theo Daamen.” Ik zie een schilderijtje van een man die aandachtig een wijdbeense, naakte vrouw bestudeert, met name haar geslachtsdeel waarop aanmerkelijk minder schaamhaar dan op de wereldberoemde close-up.

Een muur vol kunst in Remco’s kamer. Foto: Hans Brinkman

Terug naar de huiskamer stuiten we in de gang op een prachtige foto..
“Dat is van Frederique, mijn kleindochter. Zij maakt heel mooie foto’s. Frederique van Rijn. Ze heeft een paar jaar geleden een heel succesvolle tentoonstelling gehad.”  

Aan welk werk ben je, naast dat van Remco, het meest gehecht?
“Heel erg aan een groot schilderij van (zij zoekt met een ongelukkig gezicht vergeefs naar de naam) van…”

Lucebert?
“Nee. Daar is Remco wél erg aan gehecht, het enige kunstwerk dat hij zelf heeft gekocht. O, nu weet ik het weer: mijn lievelingsschilderij is dat grote om de hoek, met die gele benen, van Ed Gebski.  

Afgezien van die Lucebert heb jij alle kunst gekocht. Had jij vroeger niet een galerie?
“Ja, tussen 1970 en 1980: Galerie Balans. En een paar jaar daarna ben ik inkoper geworden voor toen nog de Amro Bank en daar heb ik in 23 jaar 10.000 kunstwerken gekocht. Eigentijds, Nederlands. Ik had natuurlijk een kantoor, dus ik moest ook allerlei prozaïsche dingen doen… Maar elke dag keek ik rond en ik had lekker veel geld (lacht luid). Heerlijk, kun je je voorstellen?” Haar overzichtelijk gelaat betrekt als Remco om een rokertje vraagt. “Die verstop ik altijd en dan kan ik ze zelf niet meer vinden.” Ze loopt weg en komt terug met een sigaret die ze haar echtgenoot met getergd afgewend hoofd verstrekt.

Hing die kunst in verschillende kantoren?
“Dat was de bedoeling van de collectie, ja. Het hoofdkantoor was natuurlijk het dankbaarst, want daar kon ik vanwege de mooie achtergrond de grootste en duurste werken kwijt. In die kleine kantoren kwam een ets of een litho te hangen. Daarvoor beheerde ik een soort kunstkamer waar een delegatie van zo’n kantoor zelf keuzes kon maken; dat was wel een aardig systeem.”

Annemarie en Deborah bewonderen het bronzen beeld van Hieke Luik. Deborah wil dat op haar graf. Foto: Hans Brinkman

Even iets anders: daar staat een gigantisch beeld.
“Daarvan dacht ik: dat ga ik op mijn graf zetten. Op ons graf, bedoel ik. Ons drieën, Remco, ik en de as van Willem van Malsen (kunstenaar en zeer dierbare vriend).”

 Wat stelt het eigenlijk voor?
“Tsja, het is van brons. Het is een nogal wrokkig, zwaar beeld van een been dat niet vooruit komt. Ik kocht het in een periode van mijn leven dat ik het als een zelfportret beschouwde. Ik kwam maar niet vooruit. Zwwwaaar! Maar ik vond het ook heel erg mooi. Het is van Hieke Luik. Toevallig heb ik ook een werkje van haar in de keuken, waaraan ik mijn theedoeken hang. Goeie beeldhouwer, hè Hans?”

Hans is het met haar eens. Deborah gaat naar de keuken voor een glas wijn. Opeens verheft de heer des huizes boven zijn krant zijn zachte stem en zegt tegen Hans dat hij hem op Freek de Jonge vindt lijken. Dit brengt enige consternatie teweeg, dus moet ik ingrijpen:

Hans is wel wat knapper. (Want welke man wil er nu op Freek de Jonge lijken, behalve Freek de Jonge zelf?)

Gelukkig komt Deborah terug en saved by the wine concentreren wij ons weer op Kunst. Ditmaal op Remco’s schitterende gedicht Lamento dat, handgeschreven, in een hoek van een van de kamers hangt.
“Op het moment dat Remco Lamento had geschreven, was Hannes Postma bezig met een serie tekeningen met allemaal herhalingen en in dat gedicht van Remco heb je die herhalingen ook. Hannes zei tegen Remco: ik ga 50 tekeningen maken, allemaal verschillend maar in hetzelfde formaat, en wil jij ajb 50 x Lamento overschrijven. In ’91 was Remco nog heel ijverig. Ik heb die 50 laten inlijsten, ik werkte destijds bij de bank en maakte tentoonstellingen in de Arcade op het Rembrandtplein met van die grote vitrines. En in die eh, etalages had ik die gedichten in Remco’s handschrift tentoongesteld: op dozen, in een hoekje en tegen de muur. Maar het mooiste was dat ik Remco’s stem met dat gedicht had opgenomen op een tape die aan het plafond hing en dan zag je mensen opeens stil staan op straat: waar komt die stem vandaan? En dan konden ze meteen dat gedicht lezen.”
Ze zwijgt ontroerd. Een mooi moment om afscheid te nemen. Hans en ik bedanken het kunstzinnige echtpaar voor hun gastvrijheid.

Eenmaal thuis herlees ik Lamento:

Hier nu   langs het lange diepe water
dat ik dacht dat ik dacht dat je altijd maar
dat je altijd maar

hier nu   langs het lange diepe water
waar achter oeverriet   achter oeverriet de zon
dat ik dacht dat je altijd maar altijd

dat altijd maar je ogen   je ogen en de lucht
altijd maar je ogen en de lucht
altijd maar rimpelend   in het water rimpelend

dat altijd in levende stilte
dat ik altijd zou leven in levende stilte
dat je altijd maar   dat wuivend oeverriet altijd maar

langs het lange diepe water   dat altijd maar je huid
dat altijd maar in de middag je huid
altijd maar in de zomer in de middag je huid

dat altijd maar je ogen zouden breken
dat altijd van geluk je ogen zouden breken
altijd maar in de roerloze middag

langs het lange diepe water   dat ik dacht
dat ik dacht dat je altijd maar
dat ik dacht dat geluk altijd maar

dat altijd maar het licht roerloos in de middag
dat altijd maar het middaglicht   je okeren schouder
je okeren schouder altijd in het middaglicht

dat altijd maar je kreet   hangend
altijd maar je vogelkreet   hangend
in de middag   in de zomer   in de lucht

dat altijd maar de levende lucht   dat altijd maar
altijd maar het rimpelende water   de middag   je huid
ik dacht dat alles altijd maar   ik dacht dat nooit

hier nu langs het lange diepe water   dat nooit
ik dacht dat altijd   dat nooit   dat je nooit
dat nooit vorst   dat geen ijs ooit het water 
hier nu langs het lange diepe water   dacht ik nooit
dat sneeuw ooit de cipres   dacht ik nooit
dat sneeuw   nooit de cipres   dat je nooit meer

© 1995,Remco Campert
Uit: Dichter
Uitgever: De Bezige Bij, Amsterdam, 1995

Ontdek het Restaurant
Feestje? Huur een zaal