Door:

Annemarie Oster

Annemarie Oster

‘Mijn eerste schilderij kocht ik voor 60 gulden, van mijn zakgeld’

De Muur
(geen foto's bij artikel)

Alweer de derde aflevering van ‘De Muur’, een rubriek over kunst. Annemarie Oster voert gesprekken met Kringleden over hun kunstverzameling. Hans Brinkman maakt de foto’s. Deze keer: op bezoek bij Fred Schoen, die vertelt over zijn schilderijen, architectuur en Grote Liefdes!

Fred Schoen, van god los.

Fred Schoen, ‘geboren in 1944, sindsdien architect’, zoals hij zelf zegt, is een gretige prater. Tijdens ons gesprek - als ik niet oppas: zijn monoloog - zullen de woorden architect en architectuur met grote regelmaat vallen. Ook de naam Rem Koolhaas duikt nogal eens op, Schoens wereldberoemde collega. Over diens eigentijdse hoogstandjes betoont onze gastheer zich niet altijd even enthousiast. Toch kun je hem niet op regelrechte ijverzucht betrappen, eerder op een bevlogen soort bekommernis; een gemoedstoestand die hem vaker parten speelt wanneer zogenaamde vakbroeders zich te buiten gaan, zijn gegaan en nog zullen gaan aan ‘architectonische dwalingen’ (zoals Sylvia Witteman ooit schreef). Was Fred gelovig, hij zou zijn handen vouwen: ‘Heer, vergeef hen, want ze weten niet wat ze doen.’
Godzijdank beschikt hij ook over een gezonde dosis zelfspot. Ooit noemde hij zichzelf ‘Architect in Niemandsland.’
F.(fijntjes lachend) “En naar aanleiding daarvan opperde iemand, notabene een opdrachtgever - ik zal zijn naam niet noemen -, deze variant: ‘Niemand in architectenland’.
(Toevalligweet ik wie ik deze grappenmaker was en ook dat hij kort daarop voor straf het tijdelijke met het eeuwige heeft moeten verwisselen.)

Hans Brinkman (ad-hocfotograaf) en ik hebben plaatsgenomen aan Schoens grote glazenwerktafel in zijn appartement in de periferie van de stad. Het bescheiden onderkomen (of liever bovenkomen, want op de 9e etage) is in veelal houtensegmenten, ja hokjes, verdeeld, terwijl je de bewoner toch echt niet kunt betichten van een hokjesgeest. Maar zijn etage - van 100 vierkante meter, maar daar zie je weinig van terug - oogt enigszins benard: een onoverzichtelijk doolhof waarin iedere vrouwelijke inbreng ontbreekt. Wel is er veel Kunst te bekijken, aan de muur, her en der uitgestald op tafels, stoelen en op en aan andere verhogingen. Op een grote bank prijkt schuins een kleurrijk doek dat zelfs mijn goedkeuring kan wegdragen.
F. “Ik zat op school met Eefje van Santen, de dochter van de bekende communist Joop van Santen…”

(Nu moet mij, AMO, even iets van het hart. Doordat een interviewster zich moet beperken tot luisteren en Schoen bovendien in TGV-vaart aan het woord bleef, kon ik mijn ei ter plekke niet kwijt. Dus dan nu maar:
In het overgebleven gezin van mijn eerste ex-echtgenoot Bram de Swaan, destijds 17, was deze Van Santen enige tijd commensaal bij moeder Hennie. Hij werd ‘De Pakkendrager’ genoemd, want liep met zijn communistische gestalte in de pakken van Brams verongelukte vader rond. Voor een jongeman die zijn vader deerlijk miste, was deze aanblik slecht te verkroppen. Bram - ik spreek nu over de jaren 50 van de vorige eeuw - heeft het me zelf verteld, misschien wel in bed, wan daarin verbleven we nogal vaak.)

F. “Met die Eefje was ik goed bevriend. Ze is later getrouwd met ene Jansen, die alles wist van de islam en dat er niets van deugde. Ze woonde als een der weinigen op de gracht met haar moeder, die huisarts was. En daar hing dit kunstwerk van Dolf Jaspers. Het is uit 1961.”

De bank met het schilderij van Dolf Jaspers.

Het eerste schilderij dat je kocht?
“Ja, voor 60 gulden. Van mijn zakgeld.” (Ik weet van vertedering niet waar ik moet kijken; ook Hans pinkt stiekem een traantje weg.)
“Het is in de Franse stijl hè, helemaal geen idee over de kwaliteit, maar het oogt aardig. Ik heb het met veel plezier meegenomen naar allerlei adressen. Het hout heb ik er later omheen getimmerd.”

De term decoratief dringt zich op, maar dat hoor je nooit te zeggen over Kunst.
“Dat vind ik onzin. Volgens mij was het de taak van schilders: portretten maken toen er nog geen foto’s waren. En dat geldt ook voor de landschappen, allemaal toegepaste kunst. Niet met de pretentie die er nu aan kleeft met al die uitleggers: Dibbets, Eddy de Jong, die eindeloos speuren naar spreekwoorden die zijn verpakt in zo’n schilderij. Maar eh, niet dat ik er sentimenteel van word, ik vind het gewoon een heel aardig schilderij.”

Waarom hangt het niet aan de muur boven de bank?
“Ik kan mijn huis toch wisselend inrichten! Alles stapelt zich maar op. Ik heb een heleboel in voorraad. En ook natuurlijk eigen werk zoals daaronder (wijst met vage vinger). Dat daarboven is van Wieke. Ik heb drie schilderende vriendinnen: Jacqueline de Jong, Wieke Ververs en Janneke Vliegers.
Deze losse deur tegen dat kastje was die tussen mijn voor- en achterhuis op het Singel. En zie je die zijden das die daar hangt? C’eravamo tanto amati, die tekst heb ik erin verwerkt: de titel vaneen film van Ettore Scola. Die heb ik uitgeknipt en gemanipuleerd in die das in het lettertype Romein. In Rome kwam Mijn Grote Liefde Claudia met zo’n lichtblauwe das aanzetten, want zij kende mijn smaak en dat vond ik heel lief van haar. En toen dat allemaal voorbij was helaas, heb ik die das op die manier bewerkt.”

Fred legt iets uit aan Annemarie.

(Afgezien van architectuur is Schoens Grote Liefde ook een van zijn stokpaardjes. Hij brengt zijn Claudia vooral graag ter sprake ten overstaan van vrouwen die dreigen te gecharmeerd van hem te raken. Want binden doet Fred zich liever niet, iets wat, zoals ik al opmerkte, duidelijk aan de inrichting van zijn appartement is te zien.)

“En dat zwarte geometrische schilderijtje boven die deur is heel tragisch, heel recent. Ik werd door de oudere broer van deze kunstenaar of hoe je het wil noemen, gebeld dat hij dood was. Hij heette Reginald Caron, woonde in een verschrikkelijke Corbusier-flat in Nantes. en hij was de vierde zoon van mijn jeugdliefde Patricia (!!!). Ze had vier zonen. Deze jongen was een beetje aan de drugs. Maar in al zijn zweverigheid heeft hij toch die geometrische werkjes kunnen maken. Ik moet het nog even een plaats geven, zoals dat heet. Weet niet goed wat ik ermee aan moet. Het was natuurlijk een problematische zoon.”

Heb je het misschien neergezet uit piëteit?
“Ook een beetje.”

Mondo Obesitas (Vetplant)

Wat betekent dat Obesitas-opschrift daar?
“Vetplant. Vertaald van mondo obesitas, zoals het in oude atlassen staat. Daarom ook die wereldbol erop. Ja, in die kast erachter staan allemaal atlassen. Daarvan ben ik een soort verzamelaar. Oude Bosatlassen. Met nog allemaal leuke oude grenzen. Duitsland natuurlijk. Met Silezië en zo. Cartografie is een heel mooie techniek hè, afgezien van de boekdrukkunst, een mooi gegeven.  Dat ze dat toen al met een zekere accuratesse konden opmeten... Want hoe brachten ze het in kaart? Tot van boven af waren ze toen nog niet in staat. Hier heb je de atlas De Wit. Uit 1698! ‘De Steden atlas van de Lage Landen’. Echt knap om al die details in kaart te brengen! Beschaafd.”

Wat betekenen die voorstellingen daar bij die klok?
“Een soort tweede ronde van kunst die ik heb gemaakt. Allemaal multiplex platen. 75 bij 75. Dat waren ideeën hoe iets kon worden uitgewerkt. Met allemaal titels. Uit woede heb ik ze na een enorme ruzie met Betty van Garrel, met wie ik toen een verhouding had, bewerkt met een zwartwit kruis.

Een wraakactie?
“Ja op mezelf. Ach, ik weet niet meer hoe het precies zat.”

Wat is hier de meest kostbare Kunst ?
“Die heb ik niet in huis. Een schilderij van Jacqueline de Jong. We hebben geruild. Ik heb een beeldhouwwerk voor haar gemaakt in haar huis in Bouan (Frankrijk). Hans kent het natuurlijk.”

(Voor de goede orde: Hans Brinkman was ooit, toen hij nog galeriehouder was, met La De Jong getrouwd en is nog steeds met haar bevriend, zoals het hoort in kunstzinnige kringen.)

“Haar man indertijd, Ton Weyland, heeft het gekocht, nou ja, Jacqueline natuurlijk. Ik ben er heel vaak geweest. Hans ook. Dat beeld heet: De complexiteit van een helder moment. Iets wat er uitschiet als Het Idee. Het is gemaakt op een lange stalen stang, die aan het eind kan bewegen, en daarop zit een vierkant dat model staat voor die helderheid. Maar het is gegenereerd uit allemaal voorwerpen die ik erin heb gestoken. Want opzoek naar het heldere moment moet je eerst allerlei kronkelpaadjes en omwegen het hoofd bieden en bijna in een ravijn storten. En dan ineens…”

Eureka!
“Ja! Het is met enige moeite omhoog gehesen, want het is 7 meter hoog en het beweegt dus ook.”

Hans (mag als fotograaf niet praten, maar kan zich niet inhouden): “Het waggelt.”
“Ja, het heeft veel stormen doorstaan. Hans fotografeert het soms: of het er nog staat.  Dat beeld heb ik dus geruild voor dit prachtige werk van Jacqueline. Dat heet Drowning en is een droevig schilderij, want het gaat over het verscheiden van Tom Weyland. Ik zag het op een tentoonstelling in Driebergen. Daar hing er ook een met als thema Eerste Wereldoorlog. Maar ik zag dit: Jezus, wat mooi! Een van haar betere werken. Ook omdat het zich onderscheidt van haar andere schilderijen. Het vertegenwoordigt iets wat haar persoonlijk erg heeft geraakt.”

Het schilderij van Jacqueline de Jong: Drowning.

Waar is het nu?
“Het hangt in Galerie Wiels in Brussel, een voormalige brouwerij met een enorme hoeveelheid ruimtes en een fantastische reputatie.” In vervoering: “Er staan twee gebouwen naast elkaar. Die galerie en de 19e-eeuwse gevel als een decorstuk met daarachter niets: alleen de spoorlijn.”

Maar het schilderij is van jou en hangt niet hier.
“Het is veel te groot. En ik vind het heel goed dat het wordt uitgeleend en ‘op tournee’ gaat. Het maakt mij niet zoveel uit. Dan ga ik wel naar een tentoonstelling om het te zien. En er staat ook een kaartje bij: ‘Collectie Fred Schoen’.
Hans, die nu helemaal uit zijn slof schiet: “Die tentoonstelling gaat dit jaar nog naar Wales en daarna naar Duitsland.”

Een goede reden om eens naar Wales te gaan.
Fred Schoen (architect): “Ja, de kunst achterna.”

Ontdek het Restaurant
Feestje? Huur een zaal