Door:

Daan Doesborgh

Daan Doesborgh

Waarom heet Brassaï Brassaï?

Column
(geen foto's bij artikel)

In mijn vorige column heb ik gedreigd over kunstenaars te emmeren net zolang tot we weer naar musea kunnen om zelf kunst te bekijken, en dan zo dat je voor én na je museumbezoek in de horeca een glas kan drinken. Dit heeft het kabinet ertoe aangezet om, in weerwil van de nog altijd rampzalig hoge ziekenhuisbezetting, de terrassen alvast open te gooien, en museumbezoek onder bepaalde voorwaarden toe te staan. Maar daar trap ik natuurlijk niet in. Je kan nog altijd niet naar een terrasje kuieren, op je dooie akkertje door een museum wandelen en daarna opnieuw op een terras aanschuiven zonder dat je dat met militaire precisie tussen twaalf en zes in moet plannen, en bovendien is het nog helemaal geen terrasweer. Je wordt als terrorist nooit serieus genomen als je alleen maar dreigt en nooit handelt, dat weet iedereen van de IRA tot IS, dus deze week gaan we het werk van de Franse fotograaf Brassaï eens onder de loep leggen.

Dit keer zal ik niet verkennen hoe de Brassaï’s heten in de mannelijke lijn tot drie generaties terug, en hoeveel kappers er dan bij zitten, al was het maar omdat de vader van Brassaï helemaal geen Brassaï als voor- of achternaam heeft, dat is namelijk een pseudoniem. Ongetwijfeld zal die fantasienaam iets te maken hebben met de geboorteplaats van Gyula Halász, de stad Brașov. Kenners van vreemde talen zullen op basis van de naam Gyula Halász wellicht concluderen dat Brașov in Hongarije ligt, en kenners van topografie zullen op basis van de ligging van Brașov wellicht concluderen dat Brassaï van Roemeense komaf is. Al deze mensen hebben op een bepaalde manier gelijk, en zitten er tegelijk fundamenteel naast. Brașov ligt in Roemenië, maar de familie Halász was wel degelijk Hongaars. Het kan raar lopen in het leven, zo heet ik bijvoorbeeld Doesborgh, maar kom ik helemaal niet uit Gelderland.

Brassaï heeft een hoop geluk gehad in het leven. Zo heeft hij de gezegende leeftijd van 84 jaar bereikt en dat terwijl er in die 84 jaar maar liefst twee Wereldoorlogen over de aarde raasden. Maar boven alles was hij een van die figuren die het zeldzame geluk hadden om zich tussen 1920 en 1980, ik neem het even ruim, in Parijs te bevinden. Je kan er talloze boeken op naslaan, van F. Scott Fitzgeralds Tender is the Night tot Hemingways A Moveable Feast, twee boeken die zich in totaal verschillende uithoeken van de literatuurgeschiedenis bevinden: Parijs was in die jaren een magische plek. Zó magisch zelfs dat men in de film Midnight in Paris van de omstreden regisseur Woody Allen op magische wijze van het nu in het toen belandt, mits je op de juiste avond, bij het juiste maanlicht over de juiste klinkers in Parijs loopt, en je er als acteur niet teveel om bekommert wat je regisseur allemaal uitvreet in zijn vrije tijd.

Dát Parijs is op zijn best afgebeeld door Brassaï. Ook van zijn werk bezit ik een hele dikke monografie. Later, als ik dood ben en mijn collectie is ondergebracht in een prachtig bibliotheekgebouw, kunt u dat boek eens inzien, of u kunt het nu al zelf aanschaffen op het internet. De samenstellers heten Alain Sayag en Annick Lionel-Marie, zo komt u er wel. Niet bij bol.com kopen. Overigens staat een van de mooiste foto’s die Brassaï ooit maakte nu net weer niet in dat boek. Van die foto zal ik dus ooit een afdruk moeten kopen. Er is er niet zo lang geleden nog eentje geveild, maar daar heb ik nu natuurlijk niks aan. Aangezien de meeste Kringleden Brassaï waarschijnlijk nog gekend hebben, of in ieder geval graag bij een jonge veelbelovende auteur die indruk willen wekken, doe ik bij dezen een oproep: mocht u er vanaf willen dan hou ik me aanbevolen.

Ontdek het Restaurant
Feestje? Huur een zaal